Omgaan met tegenslag

Omgaan met tegenslag

De ene mens ervaart de geringste tegenslag als een trauma, terwijl de andere door geen rampspoed klein te krijgen is. Waar komt dat verschil in veerkracht vandaan? Na meer dan een halve eeuw onderzoek krijgen wetenschappers stilaan greep op de psychologische en cognitieve processen die daarbij een rol spelen. We kunnen onszelf meer of minder kwetsbaar maken.

 

Tijdens de veertig jaar dat hij onderzoek verrichtte, ontmoette de bekende ontwikkelingspsycholoog Norman Garmezy (1918-2009) van de Universiteit van Minnesota duizenden kinderen. Maar één jongetje in het bijzonder is hem bijgebleven. Hij was negen jaar oud, en kwam uit een gezin met een drankverslaafde moeder en een afwezige vader. Elke dag kwam hij op school aan met precies dezelfde boterham: twee sneetjes brood, zonder beleg. Thuis was er niets anders te eten, en niemand om wat voor hem klaar te maken. Toch wilde de jongen er zeker van zijn dat 'niemand hem zou beklagen en dat niemand op de hoogte zou zijn van de onbekwaamheid van zijn moeder', herinnerde Garmezy zich jaren later. En dus wandelde de jongen elke dag de klas binnen met een lach op zijn gezicht - en een 'droge boterham' in zijn tas. 
De jongen met de droge boterham maakte deel uit van een bijzondere groep kinderen die slaagden op school en zelfs uitmuntende resultaten behaalden, hoewel ze in ongelooflijk moeilijke privéomstandigheden opgroeiden. Al die kinderen hadden een eigenschap met elkaar gemeen die Garmezy later zou identificeren als 'veerkracht'.

 

Wereldwijd wordt de ontwikkelingspsycholoog nu erkend als de eerste wetenschapper die veerkracht proefondervindelijk heeft bestudeerd. Tientallen jaren lang bezocht hij scholen in heel de VS, vaak in economisch achtergestelde gebieden. Hij belegde telkens een bijeenkomst met de directeur en zijn staf en vroeg of er leerlingen waren met een probleemachtergrond op wie ze toch trots waren. Garmezy in een interview in 1999:  "Wat ik vroeg, was: 'Kunt u me gestreste kinderen aanduiden die het goed doen hier in uw school?' Er volgde altijd een lange pauze voor er een antwoord kwam. Als ik had gevraagd of er kinderen waren die problemen leken te hebben, dan hadden ze meteen een antwoord klaar gehad. Maar we vroegen naar kinderen die zich hadden aangepast, die zich op school goed gedroegen en succesvol waren, hoewel ze een problematische achtergrond hadden. Dat was een nieuw soort onderzoek. En zo zijn we begonnen."


Veerkracht stelt psychologen voor een uitdaging. Er is namelijk geen specifieke psychologische test om te bepalen of je het hebt of niet. Dat moet vooral blijken uit de manier waarop je leven zich ontplooit. Als je het geluk hebt dat je nooit met enige tegenslag te kampen krijgt, kun je niet weten hoe veerkrachtig je bent. Alleen als je geconfronteerd wordt met hindernissen, stress of andere negatieve invloeden komt veerkracht - of het gebrek eraan - tot uiting: bezwijk je, of kom je de tegenslag te boven? Zogenaamde omgevingsstressoren komen voor in verschillende vormen. Sommige zijn het resultaat van een lage sociaal-economische status en van moeilijke thuissituaties. Vaak zijn zulke stressoren chronisch. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer je ouders psychische of andere problemen hebben, wanneer je gewelddadig behandeld wordt of als kind een vechtscheiding doormaakt. Andere stressoren zijn acuut. Daarvan is sprake wanneer je een ongeluk hebt of een traumatiserende, gewelddadige gebeurtenis meemaakt. Wat van belang is, is de intensiteit en de duur van de stressor. Acute stressoren zijn doorgaans zeer intens. Stress die veroorzaakt wordt door langdurige tegenspoed, kan volgens Garmezy weliswaar minder intens zijn, maar oefent een cumulatieve invloed uit op het aanpassingsvermogen en duurt verschillende maanden, meestal zelfs aanzienlijk langer. 
Vóór Garmezy had het meeste onderzoek naar trauma's een andere focus: onderzoekers bestudeerden vooral ervaringen die je leven negatief kunnen beïnvloeden, die je vatbaar maken om eronderdoor te gaan, die van kinderen 'probleemkinderen' maken. Garmezy's werk zette de deur open voor de studie van beschermende factoren: aspecten van iemands achtergrond of persoonlijkheid die succes mogelijk maken, ondanks de uitdagingen waarmee de persoon in kwestie geconfronteerd wordt. Garmezy kon zijn onderzoek naar veerkracht niet zelf afronden omdat hij vroegtijdige alzheimer kreeg, maar zijn studenten en volgelingen wisten twee groepen van factoren te onderscheiden: individuele, psychologische factoren (aanleg) en externe omgevingsfactoren (geluk).


Risicomilieus


In 1989 publiceerde de Amerikaanse ontwikkelingspsychologe Emmy Werner de resultaten van 32 jaar longitudinaal onderzoek. Op Hawaï had ze een groep van 698 kinderen gevolgd van voor hun geboorte tot ze dertigers waren. Over die periode monitorde ze elke vorm van stress waaraan de kinderen werden blootgesteld: stress bij de moeder tijdens de zwangerschap, armoede, gezinsproblemen enzovoorts. Twee derde van de kinderen kwam uit milieus die stabiel, succesvol en gelukkig waren, de rest kwam uit 'risicomilieus'. Net als Garmezy ontdekte Werner snel dat niet alle 'risicokinderen' op dezelfde manier reageerden op stress. Twee derde van hen 'ontwikkelde ernstige leer- of gedragsproblemen tegen de leeftijd van tien, of had een strafblad of geestelijke gezondheidsproblemen tegen de leeftijd van achttien'. Ook tienerzwangerschappen kwamen in die groep vaak voor. Maar de overige risicokinderen ontwikkelden zich tot 'competente, zelfverzekerde en zorgzame jongvolwassenen'. Ze hadden succes op school, thuis en in hun sociale leven, en waren altijd klaar om nieuwe kansen te grijpen als ze zich voordeden.


Wat maakte die kinderen zo veerkrachtig? Omdat ze haar proefpersonen meer dan dertig jaar had gevolgd, beschikte Werner over een schat aan gegevens. Ze ontdekte dat er verschillende factoren zijn die veerkracht voorspellen. Sommige hadden te maken met geluk: een veerkrachtig kind kon bijvoorbeeld een sterke band hebben met een zorgverlener, ouder, leerkracht of andere mentor die hem of haar steunde. Maar veel andere factoren waren psychologisch en hielden verband met de manier waarop de kinderen reageerden op hun omgeving. Vanaf jonge leeftijd hadden de veerkrachtige kinderen de neiging om 'de wereld te ontdekken op hun eigen voorwaarden'. Ze waren autonoom en onafhankelijk, ze zochten nieuwe ervaringen op, en ze hadden een 'positieve sociale gerichtheid'. 'Hoewel ze niet bijzonder getalenteerd waren, ' schreef Werner, 'benutten die kinderen alle vaardigheden waarover ze beschikten.' Het belangrijkste was misschien wel dat de veerkrachtige kinderen een 'interne beheersingsoriëntatie' hadden (de locus of control of beheersingsoriëntatie duidt de mate aan waarin iemand de oorzaken van wat hem overkomt bij zichzelf of buiten zichzelf zoekt, nvdr). De veerkrachtige kinderen geloofden dat zij - en niet hun omstandigheden - een invloed hadden op hun verwezenlijkingen. Ze zagen zichzelf als de orkestmeester van hun eigen lot. 
Werner ontdekte ook dat veerkracht gaandeweg kan veranderen. Sommige veerkrachtige kinderen kenden bijzonder veel tegenslag: ze werden op kwetsbare momenten in hun leven geconfronteerd met verschillende sterke stressfactoren. Hun veerkracht 'verdampte' als het ware. Volgens Werner wordt er namelijk een constante berekening gemaakt, waarbij de veerkracht en de stressoren tegen elkaar worden afgewogen. De meeste mensen hebben dan ook een breekpunt en als dat bereikt wordt, neemt hun veerkracht af. Daartegenover staat dat sommigen die als kind niet veerkrachtig waren, later toch op de een of andere manier veerkracht verwierven. Ze waren in staat om tegenslagen te verwerken en werden uiteindelijk even succesvol als mensen die van meet af aan veerkrachtig waren. Werners bevindingen deden de vraag rijzen hoe veerkracht dan aangeleerd kan worden.


Stress-responssysteem


George Bonanno is klinisch psycholoog aan het Teachers College van de Universiteit van Colombia. Hij staat er aan het hoofd van het Loss, Trauma and Emotion Lab, en doet al bijna 25 jaar onderzoek naar veerkracht. Garmezy, Werner en collega's toonden aan dat sommigen veel beter met tegenspoed kunnen omgaan dan anderen. Bonanno probeert nu uit te zoeken waar die variatie vandaan komt. Het uitgangspunt van zijn theorie is dat iedereen beschikt over hetzelfde fundamentele 'stress-responssysteem', dat over miljoenen jaren is geëvolueerd. Maar als het op veerkracht aankomt, luidt de vraag: waarom gebruiken sommigen dat systeem zo veel vaker of zo veel efficiënter dan anderen? 


Een centraal begrip bij veerkracht is volgens Bonanno perceptie. Interpreteer je een gebeurtenis als een trauma, of als een kans om te leren en te groeien? 'Gebeurtenissen zijn niet traumatisch, tot we ze ervaren als traumatisch', aldus Bonanno. Zijn theorie is eenvoudig: elke beangstigende gebeurtenis heeft het potentieel om traumatisch te zijn - of niet - voor de persoon die ze ervaart. Neem een verschrikkelijke gebeurtenis zoals de onverwachte dood van een goede vriend. Je zou verdrietig kunnen zijn, maar als je een manier vindt om die dood te interpreteren als een betekenisvolle gebeurtenis, hoeft ze niet noodzakelijk als een trauma gepercipieerd te worden. Misschien word je je dan meer bewust van bepaalde ziektes, of ga je nauwere banden smeden met je omgeving. De beleving is dus niet inherent aan de gebeurtenis, maar zit in de psychologische interpretatie van die gebeurtenis.


Net om die reden hebben 'stresserende' of 'traumatische' gebeurtenissen op zichzelf niet veel voorspellende kracht. 'Blootstelling aan potentieel traumatische gebeurtenissen voorspelt ons latere functioneren niet', stelt Bonanno. 'Ze hebben enkel een voorspellende kracht als er een negatieve respons is.' Dat je het zwaar te verduren krijgt, hetzij door een acute negatieve gebeurtenis, hetzij door regelmatige tegenspoed in je omgeving, garandeert niet dat je zult afzien. Wat van belang is, is of die tegenspoed traumatiserend wordt.


Positief perspectief 


Het goede nieuws is dat je kunt leren om tegenslagen positief te interpreteren. 'We kunnen onszelf meer of minder kwetsbaar maken door de manier waarop we nadenken over de dingen', betoogt Bonanno. Kevin Oschner, neurowetenschapper en onderzoeker aan de Universiteit van Colombia, heeft zo'n effect aangetoond. Hoe je op prikkels reageert, kun je volgens hem beïnvloeden door anders over die prikkels te leren nadenken. Het komt eropaan de prikkels in een positief perspectief te zien wanneer de initiële respons negatief is, of minder emotioneel te reageren wanneer de initiële respons 'hoog emotioneel' is. Je kunt mensen dus trainen om hun emoties beter te regelen, en die training lijkt duurzame effecten te hebben.


Soortgelijk onderzoek werd ook verricht naar 'verklaringsstijlen'. Dat zijn 'technieken' die we gebruiken om gebeurtenissen uit te leggen. Martin Seligman, psycholoog aan de Universiteit van Pennsylvania, is een pionier in het veld van de positieve psychologie. Hij ontdekte dat mensen sterker in hun schoenen staan en minder vatbaar zijn voor depressies als ze hun verklaringsstijl leren veranderen van 'intern' naar 'extern' ('Slechte gebeurtenissen zijn niet mijn schuld'), van 'globaal' naar 'specifiek' ('Dit is slechts een futiliteit, het is geen belangrijke indicatie dat er iets mis is met mijn leven') en van 'stabiel' of 'permanent' naar 'veranderbaar' of 'tijdelijk' ('Ik kan de situatie veranderen in plaats van te veronderstellen dat ze vaststaat'). Hetzelfde geldt voor de beheersingsoriëntatie. Een meer interne beheersingsoriëntatie leidt ertoe dat je minder stress beleeft en beter presteert. En als je je beheersingsoriëntatie verandert van extern naar intern, leidt dat tot positieve veranderingen in je psychisch welzijn en je objectieve werkprestaties. Het ziet er dus naar uit dat de cognitieve vaardigheden die veerkracht onderbouwen, aangeleerd kunnen worden. En dat wie geen veerkracht heeft, ze bij zichzelf kan 'aankweken'.

 

Piekeren 


Helaas kan het ook in de omgekeerde richting werken: we kunnen minder veerkrachtig worden. "In ons hoofd kunnen we zeer gemakkelijk stressfactoren creëren of overdrijven. Dat is het gevaar van de menselijke conditie", zegt Bonanno. Mensen kunnen zich zorgen maken en blijven piekeren tot ze een futiliteit aanvoelen als het belangrijkste wat hen ooit is overkomen. Het is in zekere zin een selffulfilling prophecy. Als je een tegenslag interpreteert als een uitdaging, zul je er flexibeler mee kunnen omgaan. Je zult ze achter je kunnen laten, je kunt eruit leren en groeien als mens. Maar als je erop focust, als je tegenspoed ziet als een bedreiging, dan wordt een potentieel traumatische gebeurtenis een blijvend probleem. Je wordt dan minder flexibel en er is een grotere kans dat je er negatief door beïnvloed wordt. 
In december 2015 publiceerde New York Times Magazine het essay 'The Profound Emptiness of Resilience'. Daaruit blijkt dat het woord 'veerkracht' vandaag te pas en te onpas wordt gebruikt, waardoor het vaak betekenisloos wordt. Of het wordt gelinkt aan vage concepten zoals 'karakter'. 


Maar veerkracht hoeft geen leeg of vaag concept te zijn. Integendeel, decennia van onderzoek hebben veel onthuld over hoe veerkracht werkt. We moeten tijd en energie blijven investeren om tot een nog beter begrip te komen van deze even waardevolle als mysterieuze menselijke eigenschap.

(Maria Konnikov/ The New Yorker) 


Over ons

Timotheus-Intuïtie vzw, die het belangrijkste onderdeel  uitmaakt van het Timotheus Project, is een gespecialiseerde vormingsinstelling, erkend door het Vlaams ministerie van cultuur. Al meer dan 25 jaar zijn we actief op het gebied van de niet-formele educatie. We leggen ons toe op intuïtieve ontwikkeling, bewustzijnsverruiming, persoonlijke groei en levensverdieping.


Omgaan met tegenslag

De ene mens ervaart de geringste tegenslag als een trauma, terwijl de andere door geen rampspoed klein te krijgen is. Waar komt dat verschil in veerkracht vandaan? Na meer dan een halve eeuw onderzoek krijgen wetenschappers stilaan greep op de psychologische en cognitieve processen die daarbij een rol spelen. We kunnen onszelf meer of minder kwetsbaar maken.

 

Tijdens de veertig jaar dat hij onderzoek verrichtte, ontmoette de bekende ontwikkelingspsycholoog Norman Garmezy (1918-2009) van de Universiteit van Minnesota duizenden kinderen. Maar één jongetje in het bijzonder is hem bijgebleven. Hij was negen jaar oud, en kwam uit een gezin met een drankverslaafde moeder en een afwezige vader. Elke dag kwam hij op school aan met precies dezelfde boterham: twee sneetjes brood, zonder beleg. Thuis was er niets anders te eten, en niemand om wat voor hem klaar te maken. Toch wilde de jongen er zeker van zijn dat 'niemand hem zou beklagen en dat niemand op de hoogte zou zijn van de onbekwaamheid van zijn moeder', herinnerde Garmezy zich jaren later. En dus wandelde de jongen elke dag de klas binnen met een lach op zijn gezicht - en een 'droge boterham' in zijn tas. 
De jongen met de droge boterham maakte deel uit van een bijzondere groep kinderen die slaagden op school en zelfs uitmuntende resultaten behaalden, hoewel ze in ongelooflijk moeilijke privéomstandigheden opgroeiden. Al die kinderen hadden een eigenschap met elkaar gemeen die Garmezy later zou identificeren als 'veerkracht'.

 

Wereldwijd wordt de ontwikkelingspsycholoog nu erkend als de eerste wetenschapper die veerkracht proefondervindelijk heeft bestudeerd. Tientallen jaren lang bezocht hij scholen in heel de VS, vaak in economisch achtergestelde gebieden. Hij belegde telkens een bijeenkomst met de directeur en zijn staf en vroeg of er leerlingen waren met een probleemachtergrond op wie ze toch trots waren. Garmezy in een interview in 1999:  "Wat ik vroeg, was: 'Kunt u me gestreste kinderen aanduiden die het goed doen hier in uw school?' Er volgde altijd een lange pauze voor er een antwoord kwam. Als ik had gevraagd of er kinderen waren die problemen leken te hebben, dan hadden ze meteen een antwoord klaar gehad. Maar we vroegen naar kinderen die zich hadden aangepast, die zich op school goed gedroegen en succesvol waren, hoewel ze een problematische achtergrond hadden. Dat was een nieuw soort onderzoek. En zo zijn we begonnen."


Veerkracht stelt psychologen voor een uitdaging. Er is namelijk geen specifieke psychologische test om te bepalen of je het hebt of niet. Dat moet vooral blijken uit de manier waarop je leven zich ontplooit. Als je het geluk hebt dat je nooit met enige tegenslag te kampen krijgt, kun je niet weten hoe veerkrachtig je bent. Alleen als je geconfronteerd wordt met hindernissen, stress of andere negatieve invloeden komt veerkracht - of het gebrek eraan - tot uiting: bezwijk je, of kom je de tegenslag te boven? Zogenaamde omgevingsstressoren komen voor in verschillende vormen. Sommige zijn het resultaat van een lage sociaal-economische status en van moeilijke thuissituaties. Vaak zijn zulke stressoren chronisch. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer je ouders psychische of andere problemen hebben, wanneer je gewelddadig behandeld wordt of als kind een vechtscheiding doormaakt. Andere stressoren zijn acuut. Daarvan is sprake wanneer je een ongeluk hebt of een traumatiserende, gewelddadige gebeurtenis meemaakt. Wat van belang is, is de intensiteit en de duur van de stressor. Acute stressoren zijn doorgaans zeer intens. Stress die veroorzaakt wordt door langdurige tegenspoed, kan volgens Garmezy weliswaar minder intens zijn, maar oefent een cumulatieve invloed uit op het aanpassingsvermogen en duurt verschillende maanden, meestal zelfs aanzienlijk langer. 
Vóór Garmezy had het meeste onderzoek naar trauma's een andere focus: onderzoekers bestudeerden vooral ervaringen die je leven negatief kunnen beïnvloeden, die je vatbaar maken om eronderdoor te gaan, die van kinderen 'probleemkinderen' maken. Garmezy's werk zette de deur open voor de studie van beschermende factoren: aspecten van iemands achtergrond of persoonlijkheid die succes mogelijk maken, ondanks de uitdagingen waarmee de persoon in kwestie geconfronteerd wordt. Garmezy kon zijn onderzoek naar veerkracht niet zelf afronden omdat hij vroegtijdige alzheimer kreeg, maar zijn studenten en volgelingen wisten twee groepen van factoren te onderscheiden: individuele, psychologische factoren (aanleg) en externe omgevingsfactoren (geluk).


Risicomilieus


In 1989 publiceerde de Amerikaanse ontwikkelingspsychologe Emmy Werner de resultaten van 32 jaar longitudinaal onderzoek. Op Hawaï had ze een groep van 698 kinderen gevolgd van voor hun geboorte tot ze dertigers waren. Over die periode monitorde ze elke vorm van stress waaraan de kinderen werden blootgesteld: stress bij de moeder tijdens de zwangerschap, armoede, gezinsproblemen enzovoorts. Twee derde van de kinderen kwam uit milieus die stabiel, succesvol en gelukkig waren, de rest kwam uit 'risicomilieus'. Net als Garmezy ontdekte Werner snel dat niet alle 'risicokinderen' op dezelfde manier reageerden op stress. Twee derde van hen 'ontwikkelde ernstige leer- of gedragsproblemen tegen de leeftijd van tien, of had een strafblad of geestelijke gezondheidsproblemen tegen de leeftijd van achttien'. Ook tienerzwangerschappen kwamen in die groep vaak voor. Maar de overige risicokinderen ontwikkelden zich tot 'competente, zelfverzekerde en zorgzame jongvolwassenen'. Ze hadden succes op school, thuis en in hun sociale leven, en waren altijd klaar om nieuwe kansen te grijpen als ze zich voordeden.


Wat maakte die kinderen zo veerkrachtig? Omdat ze haar proefpersonen meer dan dertig jaar had gevolgd, beschikte Werner over een schat aan gegevens. Ze ontdekte dat er verschillende factoren zijn die veerkracht voorspellen. Sommige hadden te maken met geluk: een veerkrachtig kind kon bijvoorbeeld een sterke band hebben met een zorgverlener, ouder, leerkracht of andere mentor die hem of haar steunde. Maar veel andere factoren waren psychologisch en hielden verband met de manier waarop de kinderen reageerden op hun omgeving. Vanaf jonge leeftijd hadden de veerkrachtige kinderen de neiging om 'de wereld te ontdekken op hun eigen voorwaarden'. Ze waren autonoom en onafhankelijk, ze zochten nieuwe ervaringen op, en ze hadden een 'positieve sociale gerichtheid'. 'Hoewel ze niet bijzonder getalenteerd waren, ' schreef Werner, 'benutten die kinderen alle vaardigheden waarover ze beschikten.' Het belangrijkste was misschien wel dat de veerkrachtige kinderen een 'interne beheersingsoriëntatie' hadden (de locus of control of beheersingsoriëntatie duidt de mate aan waarin iemand de oorzaken van wat hem overkomt bij zichzelf of buiten zichzelf zoekt, nvdr). De veerkrachtige kinderen geloofden dat zij - en niet hun omstandigheden - een invloed hadden op hun verwezenlijkingen. Ze zagen zichzelf als de orkestmeester van hun eigen lot. 
Werner ontdekte ook dat veerkracht gaandeweg kan veranderen. Sommige veerkrachtige kinderen kenden bijzonder veel tegenslag: ze werden op kwetsbare momenten in hun leven geconfronteerd met verschillende sterke stressfactoren. Hun veerkracht 'verdampte' als het ware. Volgens Werner wordt er namelijk een constante berekening gemaakt, waarbij de veerkracht en de stressoren tegen elkaar worden afgewogen. De meeste mensen hebben dan ook een breekpunt en als dat bereikt wordt, neemt hun veerkracht af. Daartegenover staat dat sommigen die als kind niet veerkrachtig waren, later toch op de een of andere manier veerkracht verwierven. Ze waren in staat om tegenslagen te verwerken en werden uiteindelijk even succesvol als mensen die van meet af aan veerkrachtig waren. Werners bevindingen deden de vraag rijzen hoe veerkracht dan aangeleerd kan worden.


Stress-responssysteem


George Bonanno is klinisch psycholoog aan het Teachers College van de Universiteit van Colombia. Hij staat er aan het hoofd van het Loss, Trauma and Emotion Lab, en doet al bijna 25 jaar onderzoek naar veerkracht. Garmezy, Werner en collega's toonden aan dat sommigen veel beter met tegenspoed kunnen omgaan dan anderen. Bonanno probeert nu uit te zoeken waar die variatie vandaan komt. Het uitgangspunt van zijn theorie is dat iedereen beschikt over hetzelfde fundamentele 'stress-responssysteem', dat over miljoenen jaren is geëvolueerd. Maar als het op veerkracht aankomt, luidt de vraag: waarom gebruiken sommigen dat systeem zo veel vaker of zo veel efficiënter dan anderen? 


Een centraal begrip bij veerkracht is volgens Bonanno perceptie. Interpreteer je een gebeurtenis als een trauma, of als een kans om te leren en te groeien? 'Gebeurtenissen zijn niet traumatisch, tot we ze ervaren als traumatisch', aldus Bonanno. Zijn theorie is eenvoudig: elke beangstigende gebeurtenis heeft het potentieel om traumatisch te zijn - of niet - voor de persoon die ze ervaart. Neem een verschrikkelijke gebeurtenis zoals de onverwachte dood van een goede vriend. Je zou verdrietig kunnen zijn, maar als je een manier vindt om die dood te interpreteren als een betekenisvolle gebeurtenis, hoeft ze niet noodzakelijk als een trauma gepercipieerd te worden. Misschien word je je dan meer bewust van bepaalde ziektes, of ga je nauwere banden smeden met je omgeving. De beleving is dus niet inherent aan de gebeurtenis, maar zit in de psychologische interpretatie van die gebeurtenis.


Net om die reden hebben 'stresserende' of 'traumatische' gebeurtenissen op zichzelf niet veel voorspellende kracht. 'Blootstelling aan potentieel traumatische gebeurtenissen voorspelt ons latere functioneren niet', stelt Bonanno. 'Ze hebben enkel een voorspellende kracht als er een negatieve respons is.' Dat je het zwaar te verduren krijgt, hetzij door een acute negatieve gebeurtenis, hetzij door regelmatige tegenspoed in je omgeving, garandeert niet dat je zult afzien. Wat van belang is, is of die tegenspoed traumatiserend wordt.


Positief perspectief 


Het goede nieuws is dat je kunt leren om tegenslagen positief te interpreteren. 'We kunnen onszelf meer of minder kwetsbaar maken door de manier waarop we nadenken over de dingen', betoogt Bonanno. Kevin Oschner, neurowetenschapper en onderzoeker aan de Universiteit van Colombia, heeft zo'n effect aangetoond. Hoe je op prikkels reageert, kun je volgens hem beïnvloeden door anders over die prikkels te leren nadenken. Het komt eropaan de prikkels in een positief perspectief te zien wanneer de initiële respons negatief is, of minder emotioneel te reageren wanneer de initiële respons 'hoog emotioneel' is. Je kunt mensen dus trainen om hun emoties beter te regelen, en die training lijkt duurzame effecten te hebben.


Soortgelijk onderzoek werd ook verricht naar 'verklaringsstijlen'. Dat zijn 'technieken' die we gebruiken om gebeurtenissen uit te leggen. Martin Seligman, psycholoog aan de Universiteit van Pennsylvania, is een pionier in het veld van de positieve psychologie. Hij ontdekte dat mensen sterker in hun schoenen staan en minder vatbaar zijn voor depressies als ze hun verklaringsstijl leren veranderen van 'intern' naar 'extern' ('Slechte gebeurtenissen zijn niet mijn schuld'), van 'globaal' naar 'specifiek' ('Dit is slechts een futiliteit, het is geen belangrijke indicatie dat er iets mis is met mijn leven') en van 'stabiel' of 'permanent' naar 'veranderbaar' of 'tijdelijk' ('Ik kan de situatie veranderen in plaats van te veronderstellen dat ze vaststaat'). Hetzelfde geldt voor de beheersingsoriëntatie. Een meer interne beheersingsoriëntatie leidt ertoe dat je minder stress beleeft en beter presteert. En als je je beheersingsoriëntatie verandert van extern naar intern, leidt dat tot positieve veranderingen in je psychisch welzijn en je objectieve werkprestaties. Het ziet er dus naar uit dat de cognitieve vaardigheden die veerkracht onderbouwen, aangeleerd kunnen worden. En dat wie geen veerkracht heeft, ze bij zichzelf kan 'aankweken'.

 

Piekeren 


Helaas kan het ook in de omgekeerde richting werken: we kunnen minder veerkrachtig worden. "In ons hoofd kunnen we zeer gemakkelijk stressfactoren creëren of overdrijven. Dat is het gevaar van de menselijke conditie", zegt Bonanno. Mensen kunnen zich zorgen maken en blijven piekeren tot ze een futiliteit aanvoelen als het belangrijkste wat hen ooit is overkomen. Het is in zekere zin een selffulfilling prophecy. Als je een tegenslag interpreteert als een uitdaging, zul je er flexibeler mee kunnen omgaan. Je zult ze achter je kunnen laten, je kunt eruit leren en groeien als mens. Maar als je erop focust, als je tegenspoed ziet als een bedreiging, dan wordt een potentieel traumatische gebeurtenis een blijvend probleem. Je wordt dan minder flexibel en er is een grotere kans dat je er negatief door beïnvloed wordt. 
In december 2015 publiceerde New York Times Magazine het essay 'The Profound Emptiness of Resilience'. Daaruit blijkt dat het woord 'veerkracht' vandaag te pas en te onpas wordt gebruikt, waardoor het vaak betekenisloos wordt. Of het wordt gelinkt aan vage concepten zoals 'karakter'. 


Maar veerkracht hoeft geen leeg of vaag concept te zijn. Integendeel, decennia van onderzoek hebben veel onthuld over hoe veerkracht werkt. We moeten tijd en energie blijven investeren om tot een nog beter begrip te komen van deze even waardevolle als mysterieuze menselijke eigenschap.

(Maria Konnikov/ The New Yorker) 


Contactgegevens

Timotheus-Intuïtie vzw
Administratief Centrum:
Jaak De Boeckstraat 73 bus 2 - (DE KRING)
2170  Merksem

Tel.: 03 644 06 60
E-mail: info@timotheus.org

Privacy verklaring >